Bel 033 4602302 of mail naar info@beslagrecht.nl

Word abonnee

Begrip

Het begrip 'eis in de hoofdzaak' komt alleen voor bij conservatoir beslag. Het begrip wordt genoemd in art. 700 lid 3 Rv. Het begrip 'eis' ziet op het document waarmee de hoofdzaak wordt ingeleid.

  • HR 26-02-1999, NJ 1999, 717 (Ajax/Reule)
    Het begrip hoofdzaak betreft de eigenlijke procedure: de procedure die strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening van de vordering, ter verzekering waarvan een conservatoir beslag is gelegd.

De eis in de hoofzaak is veelal een dagvaarding. [Klik hier voor andere voorbeelden van een eis in de hoofdzaak.]

Vervaltermijn (art. 700 lid 3 Rv)

De voorzieningenrechter bepaalt, bij toewijzing van het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag, een termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak. De termijn is ten minste acht dagen na de dag waarop beslag is gelegd (art. 700 lid 3 Rv, eerste volzin). In de regel bepaalt de voorzieningenrechter de termijn op veertien dagen.

De termijn van acht dagen is een vervaltermijn. Overschrijding van de termijn leidt tot verval van het beslag (art. 700 lid 3 Rv, vijfde volzin).

  • HR 09-02-2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2587 (Wessex/Itera)
    De in art. 700 lid 3 Rv bepaalde termijn heeft de strekking te voorkomen dat de schuldeiser het beslag alleen als pressiemiddel gebruikt en na het beslag stil blijft zitten.
  • Hof Arnhem 08-06-2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AQ5594
    De eis in de hoofdzaak is niet tijdig ingesteld. Het hof is bevoegd om in kort geding een voorlopig oordeel te geven over de vraag of een gelegd beslag is vervallen. Dat oordeel kan niet met een verklaring voor recht gelijk gesteld worden. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte gesteld dat het oordeel een declaratoir karakter heeft.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing. De rechter bepaalt de termijn. Het betreft dus geen wettelijke termijn.

Verlenging termijn (art. 700 lid 3 Rv)

De voorzieningenrechter kan bij beschikking de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak verlengen, maar dan moet de beslaglegger hierom voor het verstrijken van de termijn verzoeken (art. 700 lid 3 Rv, tweede volzin). Het verzoekschrift kan door een deurwaarder worden ingediend (art. 710a Rv).

Bij een conservatoir beslag op aandelen en andere effecten op naam (art. 714 Rv), en onder derden (art. 718 Rv) moet de verlenging van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak (art. 700 lid 3 Rv, tweede volzin) binnen acht dagen na het tijdstip waarop de termijn zonder verlenging zou verstrijken, schriftelijk zijn meegedeeld aan de in art. 715 Rv bedoelde vennootschap, c.q. de in art. 718 Rv bedoelde derde (art. 700 lid 3 Rv, vierde volzin).

De termijn van acht dagen is een vervaltermijn. Overschrijding van de termijn voor betekening betekent dat de verlenging geen werking heeft (art. 700 lid 3 Rv, vierde volzin).

Rechtsmiddelenverbod (art. 700 lid 3 Rv)

Er geldt een rechtsmiddelenverbod: tegen een beschikking van de voorzieningenrechter tot verlenging staat geen hogere voorziening open (art. 700 lid 3 Rv, derde volzin).

Terugvordering beslagkosten (art. 706 Rv)

De kosten van het beslag kunnen, al of niet in de hoofdzaak, van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was (art. 706 Rv).

Rechtspraak
  • HR 13-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3299 (Yukos Oil)
    De wet voorziet niet in de situatie waarin de beslaglegger geen wederpartij meer heeft tegen wie hij een eis in de hoofdzaak kan instellen, maar het zou onaanvaardbaar zijn als de beslaglegger zijn recht niet meer zou kunnen vervolgen enkel doordat zijn wederpartij heeft opgehouden te bestaan. In die gevallen kan de beslaglegger de eis in de hoofdzaak instellen tegen de verkrijger van de beslagen goederen.
  • HR 03-09-2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6082 (HCB/DHV)
    Met het verkrijgen van de executoriale titel in de kortgedingprocedure is het conservatoire derdenbeslag overgegaan in een executoriaal derdenbeslag. Daaraan doet niet af dat de (reconventionele) vordering in kort geding is ingesteld buiten de door de president bepaalde termijn van veertien dagen, nu vaststaat dat de beslaglegger binnen die termijn de vordering in de bodemprocedure had ingesteld en het bij de (reconventionele) vordering in kort geding ging om dezelfde vordering als die welke de beslaglegger in de bodemprocedure aanhangig had gemaakt.
  • Rb. Zutphen (vzr.) 11-01-2008, NJF 2008, 155
    Als een beslaglegger in de hoofdzaak niet-ontvankelijk is verklaard. betekent dit niet dat geen eis in de hoofdzaak is ingesteld. Dit geldt des te minder, nu tegen de niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep is ingesteld. Het beslag is dus niet van rechtswege vervallen.
  • Rb. Breda (vzr.) 11-05-2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8767
    Als in het beslagrekest ten onrechte is vermeld dat er al een eis in de hoofdzaak is ingesteld, dient dit te worden gelijk gesteld aan het niet binnen de daarvoor bepaalde termijn instellen van de eis in de hoofdzaak. De beslagen zijn daarom niet rechtsgeldig gelegd en zijn dus non-existent.
  • Hof Den Bosch 09-09-2003, NJF 2004, 165
    Als de eis in hoofdzaak niet tijdig wordt ingesteld, vervalt het beslag van rechtswege.
  • Rb. Zwolle (vzr.) 18-09-2003, NJF 2004, 99
    Als de eis in hoofdzaak niet tijdig wordt ingesteld, vervalt het beslag van rechtswege. Wanneer partijen echter overeenkomen zekerheid te stellen en het beslag op te heffen, dan speelt de termijn waarbinnen de eis in hoofdzaak moest worden ingesteld geen rol meer.
  • Hof Den Haag 14-02-2003, KG 2003, 80
    Ook als in de hoofdzaak in eerste aanleg een eindvonnis is gewezen, moet de termijn van art. 700 lid 3 Rv in acht worden genomen.