Bel 033 4602302 of mail naar info@beslagrecht.nl

Word abonnee

De ontvanger kan bodembeslag leggen op grond van diens bodemrecht. Uitoefening van het bodemrecht is alleen mogelijk als de ontvanger bodembeslag heeft gelegd.

Faillissement

Bij faillissement vervalt het bodembeslag, voor zover het beslag is gelegd op de goederen van de failliet. Het bodembeslag blijft staan voor zover het beslag is gelegd op zaken van derden. Het beslag op zaken van derden kan ook na het uitspreken van het faillissement worden gelegd.

Rechtspraak
  • HR 11-04-2014, ECLI:NL:HR:2014:896 (Ontvanger/Horeca Holding)
    Wanneer de curator op het perceel vam de belastingschuldige handelingen verricht tot beheer en vereffening van de failliete boedel, is er nog geen sprake van de bodem van de belastingschuldige. Wanneer de curator echter op het perceel handelingen verricht tot voortzetting van diens bedrijf brengt dat in beginsel wél mee dat sprake is van diens bodem. De enkele aanwezigheid van (een gedeelte van) de administratie van de belastingschuldige levert nog geen bodem op.
  • HR 09-11-2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7851 (ABN Amro Lease/Ontvanger)
    Voor de uitoefening van het bodemrecht is het in beginsel voldoende is dat de zaken als bodemzaken van de belastingschuldige in de zin van art. 22 lid 3 IW zijn aan te merken. Als dat het geval is, kan de ontvanger het bodemrecht uitoefenen, tenzij die zaken in reële eigendom aan een derde toebehoren.
  • HR 09-12-2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2700 (Quint q.q./ING) (Showroommodellen)
    Het hof heeft kennelijk, en terecht, onder roerende zaken die dienen 'tot stoffering' van huis of landhoef in de zin van art. 22 lid 3 IW verstaan roerende zaken die strekken tot een enigszins duurzaam gebruik van het gebouw overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming, waardoor dat gebouw tevens beter aan die bestemming beantwoordt. Showroommodellen behoren tot de handelswaar voor de verhandeling waarvan het gebouw juist dient. Zij plegen bovendien met zekere regelmaat te worden vervangen door modellen. Daarom strekken zij niet tot een enigszins duurzaam gebruik van de winkel of showroom waarin zij zijn opgesteld. Zij dienen dus niet tot stoffering als in art. 22 lid 3 IW bedoeld.
  • Hof Arnhem 06-09-2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT6754
    De enkele omstandigheid dat sanitaire producten worden tentoongesteld in een showroom is onvoldoende reden om hen van de voorraad te onderscheiden en ze als bodemzaken te kwalificeren. Daartoe is vereist dat er voldoende omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die duiden op een zodanig duurzaam gebruik van de zaken in de showroom, dat zij van voorraad tot inventaris zijn geworden. Daarvan zou in elk geval sprake kunnen zijn wanneer de zaken op zodanige wijze in de showroom zouden zijn bevestigd of verwerkt dat ze niet, of niet zonder gedaanteverwisseling of ernstige beschadiging, weer kunnen worden verwijderd. Een andere aanwijzing kan zijn dat de zaken uitsluitend voor demonstratiedoeleinden zijn bestemd en dat zij normaal gesproken niet meer (of hooguit tegen een - sterk gereduceerd - showmodeltarief) worden verkocht. Wilco heeft echter gesteld dat de zaken, ook de zwaardere zoals de ligbaden, eenvoudig konden worden verwijderd en dat dit (althans voor een deel van de zaken) ook gebeurde wanneer het desbetreffende artikel werd besteld en het niet in het magazijn voorradig was.
  • HR 13-01-1995, NJ 1996, 472 (Gerritse q.q./Ontvanger) (Sigmacon II)
    Het voor de beoordeling van het beleid van de curator aanleggen van een strengere maatstaf dan aan de algemene regels betreffende onrechtmatige daad kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht. Het enkele feit dat de ontvanger ‘alternatieve oplossingen’ heeft bepleit die per saldo voor de boedel - en zeker voor de ontvanger - voordeliger waren dan de door de curator feitelijk gerealiseerde oplossing, maakt de keuze van de curator niet onrechtmatig. Het ootdeel van het hof dat de curator ook rekening heeft te houden met belangen van maatschappelijke aard, zoals de continuïteit van de onderneming en de werkgelegenheid, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
  • HR 12-05-1989, NJ 1990, 130 (Gerritse q.q./Ontvanger) (Sigmacon I)
    Als bodemzaken wederom eigendom worden van de belastingschuldige en het bodembeslag daarom vervalt, wordt in beginsel de ontvanger in zijn verhaalsrecht op die zaken niet benadeeld: hij deelt immers mee in de opbrengst. Dat kan anders zijn, bijvoorbeeld  wanneer de curator de opbrengst van de bodemzaken gebruikt om een tijdelijk boedelkrediet af te lossen. Indien en voor zover een dergelijke gang van zaken inderdaad ertoe leidt dat de ontvanger wordt benadeeld in het verhaalsrecht, de ontvanger eventueel de nietigheid van de rechtshandeling kan inroepen of schadevergoeding uit onrechtmatige daad kan vorderen.
  • HR 26-01-1981, NJ 1981, 656
    Onder ‘roerende goederen tot stoffering van een huis’ is te verstaan: al hetgeen strekt tot een enigszins duurzaam gebruik van het gebouw overeenkomstig zijn bestemming, waardoor het gebouw tevens beter aan die bestemming beantwoordt. De bestemming van een gebouw wordt bepaald door het feitelijke gebruik dat ervan wordt gemaakt. Hieruit volgt dat een gebouw meer dan één bestemming kan hebben. Die bestemming kan een andere zijn dan die waartoe het gebouw is gesticht.
  • HR 05-10-1979, NJ 1980, 280
    Waar de wet bepaalt - in art. 456 lid 1 Rv - dat derden nimmer verzet in rechte kunnen doen tegen de inbeslagneming als de tot stoffering van een huis bestemde roerende zaken zich tijdens de inbeslagneming op de bodem van de belastingschuldige bevinden, deze bepaling de strekking heeft te voorkomen dat het verhaal door de belastingdienst zou kunnen worden gefrustreerd doordat de zaken die zich onder de schuldenaar bevinden buiten het vermogen van de schuldenaar worden gehouden of gebracht door een overeenkomst of andere rechtshandeling tussen de schuldenaar en derden. Deze strekking brengt mee dat het voor het verhaal van de fiscus, ook wat de voorrang van de fiscus betreft, geen verschil mag maken of deze zaken zich al of niet eigendom zijn van de belastingschuldige.
  • HR 12-12-1929, B 4632
    Het begrip ‘stoffering’ omvat al die roerende goederen, welke gebezigd worden om een huis geschikt te doen zijn voor het gebruik waartoe het bestemd is.