Bel 033 4602302 of mail naar info@beslagrecht.nl

Word abonnee

Ontneming is het door het openbaar ministerie wegnemen van wederrechtelijk verkegen voordeelArt. 36e Sr vormt de wettelijke basis voor een ontnemingsprocedure.

Wetsvoorstel Verruiming Mogelijkheden Voordeelontneming

Op 1 juli 2011 is het wetsvoorstel Verruiming Mogelijkheden Voordeelontneming in werking getreden, waarmee een aantal knelpunten voor de uitvoering van de ontnemingspraktijk, ook wel het ‘plukken’ van criminelen genoemd, is weggenomen. Hiervoor is het juridische instrumentarium verbreed, waaronder meer mogelijkheden tot verbeurdverklaring, invoering van een wettelijk bewijsvermoeden en de mogelijkheid om bij meerdere daders hen elk aansprakelijk te stellen voor het gehele voordeel. Ook zijn de mogelijkheden om bij schijnconstructies beslag te leggen uitgebreid en is de mogelijkheid ingevoerd om onderzoek te doen naar vermogen om de ontnemingsmaatregel te verhalen tijdens de hoger beroep- en cassatiefase en nadat het ontnemingsvonnis onherroepelijk is geworden.

Oplegging verplichting tot betaling (art. 36e lid 1 Sr)

Art. 36e lid 1 Sr bepaalt dat, op vordering van het openbaar ministerie, bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing (die een maatregel en geen straf is)  aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Strafbare feiten (art. 36e lid 2 Sr)

Volgens art. 36e lid 2 Sr kan de verplichting worden opgelegd aan de in art. 36e lid 1 Sr bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

Strafbare feiten (art. 36e lid 3 Sr)

Volgens art. 36e lid 3 Sr kan, op vordering van het openbaar ministerie, bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

In dat geval kan ook worden vermoed dat:

  1. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;
  2. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
Periode (art. 36e lid 4 Sr)

De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de veroordeelde afwijken van de in het derde lid genoemde periode van zes jaren en een kortere periode in aanmerking nemen (art. 36e lid 4 Sr).

Voorwerpen (art. 36e lid 6 Sr)

Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten (art. 36e lid 6 Sr).