Beslagrecht.nl - overzicht, nieuws, wetgeving, rechtspraak

Pandhoudersbeslag is een bijzonder executoriaal beslag tot afgifte van roerende zaken. Het beslag komt alleen aan de orde als het pandrecht bij onderhandse akte is gevestigd.

Het pandhoudersbeslag is geregeld in art. 496 lid 2 Rv.

Achtergrond

Op grond van art. 3:237 lid 3 BW, eerste zin is de pandhouder bevoegd te vorderen dat de zaak in zijn macht wordt gebracht wanneer de pandgever of de schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt of er gerechtvaardigde vrees bestaat dat hij niet zal nakomen. Dat de zaak in de macht van de pandhouder komt, is van belang als hij van zijn recht van parate executie gebruik wil maken.

De pandhouder zou een procedure moeten voeren om een executoriale titel te krijgen. Art. 496 lid 2 Rv, eerste zin biedt hem een eenvoudiger middel: de deurwaarder kan de zaak onder zich nemen of daarop een pandhoudersbeslag leggen. De procedure voor verlof voor een pandhoudersbeslag lijkt veel op de procedure tot het leggen van een conservatoir beslag ex art. 700 lid 1 en 2 Rv.

  • Als het pandrecht bij authentieke akte is gevestigd. is een pandhoudersbeslag niet nodig. De pandhouder heeft dan al een executoriale titel. De afgifte van een zaak vindt plaats doordat de deurwaarder de zaak onder zich neemt en afgeeft aan de pandhouder (art. 496 lid 1 Rv).  Bij een vuistpandrecht op een roerende zaak is beslag evenmin nodig. De pandhouder heeft de verpande zaak dan al onder zich.
Roerende zaken

Pandhoudersbeslag kan alleen worden gelegd op roerende zaken en op toonder- of orderpapier. Op een verpande vordering kan dus geen pandhoudersbeslag worden gelegd.

Rechtspraak
  • Hof Den Bosch 11-11-2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AO1602
    In het beslag- en executierecht is het een veel voorkomende rechtsfiguur dat de derde, onder wie beslag wordt gelegd of van wie afgifte wordt geëist, eerst achteraf, middels het executiegeschil van art. 438 Rv zijn rechten kan doen toetsen. Niet valt in te zien dat het anders is ten aanzien van de executie tot afgifte van een roerende zaak. Voorts voorziet art. 438 lid 3 Rv in de mogelijkheid voor de deurwaarder om een kort geding te starten. Art. 496 lid 2 Rv ziet op twee situaties, namelijk dat de deurwaarder de zaak onder zich neemt (directe of reële executie), of dat hij deze in (executoriaal) beslag neemt. Art. 499 Rv geeft een uitwerking voor het eerste geval. De deurwaarder kan de zaak onder zich nemen en aan de pandhouder afgeven wanneer de derde geen bezwaar maakt of zich niet te goeder trouw tegen een vordering tot afgifte kan verzetten. In andere gevallen, dat wil zeggen als wel (voorshands steekhoudende) bezwaren worden gemaakt kan de executant aangewezen zijn op executoriaal derdenbeslag, leidende tot toepassing van de artt. 475-479 Rv.