Beslagrecht.nl - overzicht, nieuws, wetgeving, rechtspraak

Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser (de retentor) toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan (art. 3:290 BW).

Voorwaarden voor retentierecht

Voor het uitoefenen van het retentierecht gelden de volgende voorwaarden:

  • De vordering moet opeisbaar zijn.
    • Hof Den Bosch 29-03-2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1179
      Het is, volgens art. 3:291 BW, voor het antwoord op de vraag of het recht van de derde ouder of jonger is dan dat van de retentor, voldoende dat vaststaat wanneer de vordering van de retentor op zijn contractuele wederpartij is ontstaan. Het vereiste dat die vordering ook opeisbaar is wordt hier niet gesteld. In zoverre wordt afgeweken van de algemene regels inzake opschorting, zoals neergelegd in afdeling 7 van titel 1 van boek 6 BW en van de specifieke regels voor het ontstaan van het retentierecht zelf (waarvoor op de voet van art. 3:290 BW opeisbaarheid van de vordering van de retentor wel een vereiste is).
  • Er moet voldoende samenhang bestaan tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van een zaak van een ader.
  • De zaak moet in de macht van de schuldeiser zijn.

Een voorbeeld van een in de wet genoemde retentor is de bezitter te goeder trouw (art. 3:120 lid 3 BW).

  • HR 12-06-2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3096 (Heembouw/Fortis en Kemp q.q.)
    Heembouw kan niet batig worden gerangschikt voor haar vordering omdat Heembouw voor die vordering geen executiemaatregelen heeft getroffen. De wet geeft de schuldeiser met retentierecht geen recht van parate executie. Het verhaal door die schuldeiser dient dan ook volgens de normale regels plaats te hebben, dus door middel van beslag. Dat Heembouw zelf voor haar eerste vordering executeerde, brengt, ongeacht of zij al of niet voorrang kan doen gelden in verband met haar retentierecht, niet mee dat zij ook voor haar tweede vordering belanghebbende is bij de executieopbrengst. Waar Heembouw als schuldeiser van X ook niet kan worden aangemerkt als beperkt gerechtigde wiens recht door de executie is vervallen als bedoeld in art. 551 lid 1 Rv, behoort zij dus, met of zonder voorrang boven Fortis, slechts in de netto-opbrengst mee te delen voor de vordering waarvoor zij beslag op het pand heeft gelegd. Zij kan voor haar tweede vordering ook niet alsnog beslag leggen op de koopprijs en aldus daarvoor als belanghebbende aan de rangregeling deelnemen, omdat zodanig beslag slechts het na verdeling eventueel resterende surplus zou hebben kunnen treffen, ware het niet dat dat surplus aan X toekomt en dus onder het faillissementsbeslag valt.
Wetgeving